Afwaarderingsverlies lening van een DGA aan zijn B.V.

Met enige regelmaat verschijnen er rechterlijke uitspraken over het in aanmerking nemen van een afwaarderingsverlies in box 1 op door een DGA aan zijn B.V. verstrekte geldlening. Een eerste voorwaarde hiervoor is dat bij het aangaan van de lening sprake is van een zakelijke geldlening. Onderdeel hiervan is over het algemeen een goede geldleningsovereenkomst met waarin zakelijke leningsvoorwaarden zijn opgenomen.
Dit is echter nog geen garantie voor het kunnen nemen van het afwaarderingsverlies. Ook na het verstrekken van de geldlening moet de DGA zich als schuldeiser zakelijk blijven opstellen, anders kan de lening alsnog onzakelijk worden, waarna het nemen van een afwaarderingsverlies in box 1 niet meer mogelijk is. De bewijslast voor dit laatste berust bij de inspecteur. Dit blijkt uit een recente uitspraak van de Hoge Raad.
De inspecteur moet volgens de Hoge Raad het onzakelijke handelen dan wel met feiten en omstandigheden aannemelijk zien te maken. Deze bewijslast is zwaar, zo blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad. De inspecteur moet namelijk cumulatief aannemelijk maken:
1. op welk moment een zakelijk handelende derde in soortgelijke omstandigheden als de geldverstrekker (met onder meer de kennis die geldverstrekker heeft van de eigen bv),
2. welke maatregel zou hebben genomen om zijn rechten voortvloeiende uit de desbetreffende vordering veilig te stellen, en
3. in hoeverre die derde daarin dan geslaagd zou zijn.
Zou blijken dat een onafhankelijke derde in de desbetreffende omstandigheden ook een verlies heeft geleden, dan is het afwaarderingsverlies in zoverre toch aftrekbaar, zo oordeelde de Hoge Raad.

Bron: Hoge Raad, 1-3-2013, nr. 12/03088.