BTW correctie auto van de zaak: toch geen schending van het gelijkheidsbeginsel

Volgens de tot 1 juli 2011 geldende regeling moest voor auto’s van de zaak in het laatste kwartaal van het jaar een btw correctie voor privégebruik plaatsvinden ter grootte van 12% van de waarde van het privégebruik voor de inkomstenbelasting. De waarde van het privégebruik voor de inkomstenbelasting, bedraagt, afhankelijk van de CO2 uitstoot van de auto, 0%, 14% of 25% van de cataloguswaarde van de auto Ondernemers hebben naar aanleiding van uitspraken van Rechtbank Haarlem (1 juni 2011) en Hof Amsterdam (23 februari 2012), ,massaal bezwaar gemaakt tegen deze btw correctie privégebruik van een auto van de zaak omdat de Nederlandse regels voor het vaststellen van deze correctie een ongeoorloofd verschil maakten tussen de mate van milieuvriendelijkheid van de auto. Beide instanties oordeelden dat een ondernemer met een beroep op het gelijkheidsbeginsel de meest gunstige correctiemethode mag toepassen.

De Hoge Raad heeft op 12 april 2013 anders geoordeeld. Volgens de Hoge Raad strekt het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat ondernemers die formeel niet onder de meest gunstige regels vallen, deze toch mogen toepassen. Het gaat weliswaar om ongeoorloofde begunstiging van bepaalde ondernemers (met milieuvriendelijke auto’s), maar het gelijkheidsbeginsel brengt mee dat de ongeoorloofde begunstiging van de bevoordeelde groep moet worden gestaakt (de Staatssecretaris heeft dit beleid bij Besluit van 29 juni 2011 reeds beëindigd). Dit houdt in dat de nog lopende bezwaarschriften in deze zin zullen worden afgedaan en de bezwaren op dit punt niet zullen worden ingewilligd. Dit geldt overigens zowel voor het privégebruik door ondernemers als door werknemers.
Bron: Hoge Raad, 12 april 2014, nr. 12/01372