De bestuurder van een vennootschap is in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting die de vennootschap verschuldigd is. De vennootschap is verplicht om zodra gebleken is dat zij de verschuldigde belasting niet kan betalen daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de Belastingdienst. De mededeling van betalingsonmacht moet uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting moet zijn voldaan worden gedaan. Is de melding van de betalingsonmacht op de juiste wijze gedaan, dan is de bestuurder alleen aansprakelijk als het niet betalen van de belastingschuld te wijten is aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur in de afgelopen drie jaren. De bewijslast voor het onbehoorlijke bestuur ligt bij de Belastingdienst. Wanneer de melding van betalingsonmacht niet op de juiste wijze is gedaan, geldt het wettelijk vermoeden dat het niet betalen aan de bestuurder te wijten is. De bestuurder wordt alleen toegelaten tot weerlegging van dat vermoeden, wanneer hij aannemelijk maakt dat het niet op juiste wijze melden van de betalingsonmacht niet aan hem te wijten is.

Twee bv’s hadden de verschuldigde loonbelasting over de maand september 2013 uiterlijk 31 oktober 2013 moeten betalen. Dat gebeurde niet. De melding van betalingsonmacht had voor of op 14 november 2013 gedaan moeten worden. De melding vond echter pas op 26 november 2013 plaats. Door de te late melding gold het vermoeden dat het niet betalen van de naheffingsaanslag over september 2013 aan de enige bestuurder van de vennootschappen te wijten was. Naar het oordeel van de rechtbank is de bestuurder daarvoor terecht aansprakelijk gesteld.

Melding van betalingsonmacht over de tijdvakken oktober en november 2013 moest uiterlijk 14 december 2013 respectievelijk 14 januari 2014 plaatsvinden. Deze meldingen waren op 26 november 2013, gelijk met de melding over september gedaan. Deze meldingen waren dus tijdig gedaan. De Belastingdienst diende daarom aannemelijk te maken dat het niet betalen van de over deze maanden opgelegde naheffingsaanslagen het gevolg was van aan de bestuurder te wijten onbehoorlijk bestuur. De beide vennootschappen hielden zich bezig met het uitlenen van personeel aan een gelieerde vennootschap. Voor deze diensten werd geen reële zakelijke prijs betaald. De bestuurder had redelijkerwijs kunnen weten dat beide bv’s hun verplichtingen jegens de Belastingdienst niet konden nakomen. Volgens de rechtbank heeft de bestuurder zich schuldig gemaakt aan onbehoorlijk bestuur van de vennootschappen. Naar het oordeel van de rechtbank is hij terecht aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken oktober en november 2013.

Bij betaling van een belastingaanslag nadat de betaaltermijn is verstreken, brengt de Ontvanger invorderingsrente in rekening.

In een arrest uit 2006 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de Belastingdienst geen verzuimboete op mag leggen als een belastingplichtige de aanmaning niet heeft ontvangen, tenzij het niet ontvangen van de aanmaning aan de belastingplichtige is toe te rekenen. Volgens de Hoge Raad geldt dat ook voor het verschuldigd worden van invorderingsrente.

De Ontvanger mocht geen invorderingsrente in rekening brengen aan een belanghebbende die erin is geslaagd om het vermoeden van ontvangst van de te laat betaalde belastingaanslag te ontzenuwen. De Ontvanger was er vervolgens niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de aanslag de belanghebbende wel heeft bereikt of dat het niet ontvangen de belanghebbende was aan te rekenen. Volgens de Hoge Raad is de rechter niet verplicht om een onderzoek in te stellen naar de door de Ontvanger in dit verband gestelde en aannemelijk te maken feiten.

In de Invorderingswet 1990 is bepaald dat bij te late betaling van een belastingaanslag invorderingsrente in rekening wordt gebracht.

In een procedure voor de rechtbank meende de belanghebbende dat hij geen invorderingsrente hoefde te betalen omdat het rentebedrag was opgelopen door de lange duur van de behandeling van zijn bezwaar en beroep tegen de aanslag. De rechtbank stelde vast dat de betalingstermijn was verstreken terwijl slechts een deel van de aanslag was betaald. Vanaf het moment waarop de betalingstermijn was verstreken was de belanghebbende invorderingsrente verschuldigd. De belanghebbende had invorderingsrente kunnen voorkomen door tijdig te betalen, ook al was hij het niet eens met de aanslag. In dit geval koos de belanghebbende voor uitstel van betaling. Deze keuze komt voor zijn rekening. De rechtbank maakt duidelijk dat de keuze voor uitstel van betaling losstaat van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de aanslag.

In de Invorderingswet komt een bepaling die de aansprakelijkheid invoert voor pand- en hypotheekhouders en executanten. De aansprakelijkheid betreft de omzetbelasting die verschuldigd is bij de levering van een verpande of verhypothekeerde zaak of van een zaak waarop beslag is gelegd. Door de invoering van de aansprakelijkheid worden deze leveringen materieel hetzelfde behandeld als leveringen die onder de verleggingsregeling in de omzetbelasting vallen. De aansprakelijkheid moet voorkomen dat de Belastingdienst achterblijft met een onverhaalbare omzetbelastingschuld op de ondernemer wiens zaak wordt geleverd.

Pand- of hypotheekhouders mogen zowel binnen als buiten faillissement de zaak namens de schuldenaar verkopen. Executanten kunnen een zaak door een gerechtsdeurwaarder laten verkopen en zich op de opbrengst verhalen. De opbrengst boeken zij af op de openstaande vordering. De opbrengst van een verkochte zaak omvat ook de omzetbelasting. Toepassing van de verleggingsregeling in de omzetbelasting biedt niet in alle gevallen een oplossing. Zo kan de verleggingsregeling niet worden toegepast bij leveringen aan niet-ondernemers of bij leveringen van roerende zaken op grond van een executoriale titel. De invoering van de nieuwe aansprakelijkheid voor pand- en hypotheekhouders en executanten moet dat probleem ondervangen. De aansprakelijkheid neemt de plicht om de omzetbelasting te betalen niet weg van de ondernemer wiens zaken worden geleverd. Pas wanneer hij niet betaalt mag de Belastingdienst de pand- of hypotheekhouder of executant aansprakelijk stellen voor het bedrag aan niet-betaalde omzetbelasting.

Iedere bestuurder van een rechtspersoon is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonheffing die de rechtspersoon verschuldigd is. De aansprakelijkheid geldt niet alleen voor bestuurders van een nv of een bv, maar ook voor bestuurders van een stichting of van een vereniging met rechtspersoonlijkheid. De rechtspersoon moet, zodra duidelijk is dat de loonbelasting niet betaald kan worden, daarvan mededeling doen aan de ontvanger. Als de melding van de betalingsonmacht tijdig is gedaan, is een bestuurder alleen aansprakelijk als het niet betalen van de belasting het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Is door of namens de rechtspersoon geen melding van de betalingsonmacht gedaan of is de melding te laat gedaan, dan is iedere bestuurder aansprakelijk en wordt verondersteld dat de niet betaling te wijten is aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur. Alleen de bestuurder die aannemelijk weet te maken dat het niet aan hem is te wijten dat de melding van de betalingsonmacht niet of te laat is gedaan, krijgt de mogelijkheid om de veronderstelling te weerleggen.

De bestuurder van een stichting, die geen melding van betalingsonmacht had gedaan, slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het niet melden niet aan hem te wijten was. Als bestuurder had hij zich op de hoogte moeten (laten) stellen van het reilen en zeilen van de stichting en van de financiële positie van de stichting. De bestuurder heeft geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheden om zich adequaat te laten informeren. Door zijn nalatigheid was hij niet in staat om de betalingsonmacht bij de ontvanger te (laten) melden.

Het ministerie van Financiën heeft een internetconsultatie geopend over voorgestelde maatregelen tegen belastingontduiking. De maatregelen zijn gericht op constructies die niet illegaal zijn maar maatschappelijk gezien wel ongewenst. Het gaat om vier invorderingsmaatregelen ter bestrijding van in de praktijk geregeld voorkomende invorderingsconstructies. Twee maatregelen verruimen de mogelijkheden om derden aansprakelijk te stellen. De andere twee maatregelen moeten formele drempels bij de aansprakelijkstelling wegnemen door een nieuwe manier van bekendmaking van een belastingaanslag aan ontbonden rechtspersonen en uitbreiding van de informatieplicht tot vermoedelijk aansprakelijken.

1. Aansprakelijkheid van begunstigden
De voorgestelde maatregel bevat een regeling van aansprakelijkheid van begunstigden van een handeling als voldaan is aan de volgende vereisten:
1) De handeling is onverplicht verricht.
2) De Belastingdienst is door die handeling benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden.
3) De belastingschuldige en de begunstigde hebben wetenschap van de benadeling.

2. Uitbreiding verhaalsmogelijkheden op erfgenamen
Het maximumbedrag waarvoor erfgenamen met betrekking tot belasting- of aansprakelijkheidsschulden van de erflater aansprakelijk zijn wordt verhoogd. De verhoging bestaat uit het bedrag dat de erfgenaam van de erflater heeft verkregen door een schenking die kort voor het overlijden van de erflater is gedaan.

3. Alternatieve wijze van bekendmaking aanslag
Voordat een derde aansprakelijk kan worden gesteld voor een belastingschuld, moet de aanslag waaruit de schuld voortvloeit, rechtsgeldig bekend zijn gemaakt. Is de belastingschuldige een ontbonden en vereffende rechtspersoon, dan moet de rechter de vereffening eerst heropenen voordat de aanslag rechtsgeldig bekend gemaakt kan worden. Bij een rechtspersoon naar buitenlands recht is dit niet altijd mogelijk. Dat is aanleiding om een alternatieve wijze van bekendmaking van een belastingaanslag aan (vermoedelijk) niet meer bestaande rechtspersonen in te voeren. De ontvanger kan de belastingaanslag bekend maken door het aanslagbiljet uit te reiken of te versturen aan het Openbaar Ministerie van de rechtbank waaronder de laatst bekende vestigingsplaats van de rechtspersoon ressorteert of van de rechtbank Den Haag. Een kopie van het aanslagbiljet wordt gepubliceerd in de Staatscourant en uitgereikt aan de laatst bekende bestuurder, aandeelhouder en vereffenaar van de rechtspersoon.

4. Uitbreiding informatieverplichting
De bestaande informatieplicht voor belastingschuldigen en aansprakelijk gestelden gaat ook gelden voor de (vermoedelijk) aansprakelijke die nog niet formeel door de Belastingdienst aansprakelijk is gesteld. In de praktijk is de bestaande informatieplicht niet altijd voldoende om te bepalen of iemand aansprakelijk gesteld kan worden voor een belastingschuld. De voorgestelde uitbreiding van de informatieplicht geldt uitsluitend voor zover de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de invordering.

Belangstellenden kunnen reageren op de voorstellen tot en met 28 september 2017 viahttp://www.internetconsultatie.nl/aanpakbelastingontduiking.