Rechtbank bepaalt zakelijke renteopslag op 5% voor lening aan eigen bv zonder bedongen zekerheden

Rechtbank Arnhem heeft in een specifieke casus onlangs de zakelijke renteopslag voor een lening van een directeur-grootaandeelhouder (dga) aan een door hem opgerichte bv naar redelijke schatting bepaald op 5%. Volgens de rechtbank was sprake van een (zakelijke) lening met onzakelijke voorwaarden en niet van een onzakelijke lening, waardoor de rente moest worden gecorrigeerd.

De dga had om de lening aan zijn bv te kunnen verstrekken een lening bij de bank aangetrokken. De BV gebruikte de lening om daarmee een 12,5% belang te verwerven in een niet gelieerde vennootschap; de dga verkreeg geen zekerheden van zijn BV. In 2008 ging het concern failliet. De lening aan de BV werd daardoor minder waard. In zijn aangifte inkomstenbelasting nam de dga een afwaarderingsverlies op de lening aan zijn bv (onder de terbeschikkingstellingsregeling) in aanmerking. De inspecteur weigerde het verlies in aanmerking te nemen omdat sprake zou zijn van een onzakelijke lening.

Onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 25 november 2011 was de rechtbank van oordeel dat sprake was van een lening met onzakelijke voorwaarden en niet van een onzakelijke lening; de Rechtbank was van oordeel dat een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest om aan de debiteur eenzelfde lening te verstrekken onder de zelfde voorwaarden (gehoudens de rente).

Dit had de volgende fiscale gevolgen:

–       De rente moest worden gecorrigeerd naar een zakelijke rente ter hoogte van de door de dga aan de bank verschuldigde rente plus een zakelijk risico-opslag van 5%; dit vormde voor de dga inkomen in box 1; de verkrijgingsprijs in bo2 werd met dit bedrag verhoogd (informele kapitaalstorting)

–       het afwaarderingsverlies was aftrekbaar;

Bron: Rechtbank Arnhem, 6-12-2012, nr. 12/1704.