Terbeschikkingstellingsregeling bij borgstelling eindigt pas bij opheffing faillissement

Het komt geregeld voor dat een directeur-grootaandeelhouder (dga) zich persoonlijk borg stelt voor een lening aan zijn bv. In geval de dga naderhand als borg wordt aangesproken, verkrijgt hij een regresvordering op zijn bv. Positieve en negatieve resultaten die voortkomen uit een dergelijke borgstelling (en ook de daaruit voortkomende regresvordering) worden bij de dga als een resultaat uit overige werkzaamheden belast in box 1 op basis van de tbs-regeling.

In een recente uitspraak heeft het Hof Amsterdam beslist dat de tbs-regeling van kracht blijft zolang de regresvordering civielrechtelijk bestaat. In beginsel is dat tot het moment van opheffen van het faillissement. Hierbij is niet van belang als de dga zijn regresvordering al in een eerder jaar tot nihil heeft afgewaardeerd en als een negatief resultaat uit een werkzaamheid in aanmerking heeft genomen.

In casu betekende dit dat de dga een negatief resultaat kon blijven aanmerken in box 1 tot het opheffen van het faillissement. Hij had de uit de borgstelling voortvloeiende verplichting namelijk voldaan door de lening op zijn eigen woning te verhogen. De hieruit voortvloeiende rentekosten hingen nauw samen met de borgstelling en vielen naar het oordeel van het hof daarom tot het opheffen van het faillissement onder de tbs-regeling en vormden een negatief resultaat in box 1.

Bron: Hof Amsterdam, 30-5-2013, nr 12/00406 (gepubliceerd 10-7-2013).