Uitkeringen uit “lief-en-leedfonds”

Onder bepaalde voorwaarden kunnen uitkeringen uit een personeelsfonds of een “lief en leed” fonds onbelast aan de werknemers plaatsvinden. Een voorwaarde is dat de werkgever in de afgelopen 5 jaren niet meer heeft bijgedragen dan de werknemers Over deze 5 jaarseis heeft de Hoge Raad onlangs 2 arresten gewezen.

Hoge Raad 9 augustus 2013, nr 12/02585
In dit arrest heft de Hoge Raad beslist dat aan de 5 jaarseis ook kan worden voldaan indien het fonds nog geen 5 jaar bestaat. Ook een korter dan vijf jaar bestaand personeelsfonds kan derhalve voor de zogenoemde fondsenvrijstelling in aanmerking komen.

De bewoordingen van de Hoge Raad betreffende het vijfjaarscriterium zijn zodanig gekozen dat de fondsenvrijstelling ook lijkt te kunnen worden toegepast als in de voorafgaande vijf jaren de werkgever en werknemers incidenteel in enig jaar geheel niets in het fonds hebben gestort. Of dat ook het geval is als werkgever en werknemers gedurende twee of meer jaren van de voorafgaande vijf jaren niets hebben bijgedragen, is nog niet zeker.

Hoge Raad 9 augustus 2013, nr 12/01829
In een op de zelfde dag gewezen arrest heft de Hoge Raad beslist dat de bijdragen van de werknemers niet symbolisch van aard mogen zijn. In de betreffende casus was meer dan 5 jaar geleden door de werkgever een bedrag van € 1.000.000 in het fonds gestort. In de ruim 10 jaren daarna heeft de werkgever niets meer gestort. De werknemers hebben in totaal in deze jaren per persoon € 1 gestort; in totaal een bedrag van € 500. Hoewel naar de letter van de regeling de fondsenvrijstelling van toepassing is, heeft de Hoge Raad met een beroep op doel en strekking van de regeling beslist dat deze geringe werknemersbijdrage In verhouding tot het totale fondsvermogen onvoldoende is om in aanmerking te komen voor de fondsenvrijstelling. Voorzichtigheid is hier dus geboden.

Een personeelfonds kan een interessant middel zijn om onbelast uitkeringen te doen aan werknemers. Indien u meer wilt weten over de mogelijkheden, kunt u uiteraard contact met ons openmen.

Bron: Hoge Raad, 9-8-2013, nrs. 12/02585 en 12/01829