Uitspraken over de bedrijfsopvolgingsfaciliteit voor de erfbelasting

Vorig jaar heft de Rechtbank Breda geoordeeld dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit op grond van het gelijkheidsbeginsel ook benut kon worden voor verkijgingen anders dan ondernemingsvermogen. Op grond van deze uitspraak is massaal bezwaar gemaakt tegen aanslagen erfbelasting.
De eerste massaal-bezwaaruitspraken over de ‘bedrijfsopvolgingsfaciliteit’ in de schenk- en erfbelasting zijn in het voordeel van de fiscus uitgevallen. Rechtbank Oost Nederland heeft onlangs hierover drie uitspraken gedaan en heeft daarbij beslist dat het niet van toepassing zijn van deze faciliteit op privévermogen niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De overwegingen van de rechtbank zijn vrijwel gelijkluidend aan die van Rechtbank Arnhem van 1 november 2012 .

De rechtbank overweegt dat het doel van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit is het voorkomen van liquiditeitsproblemen als gevolg van de heffing van schenkings- of successierecht opdat het voortbestaan van de ondernemingen niet in gevaar komt. Bezien vanuit dat doel brengen erfrechtelijke verkrijgingen van ondernemings- en privévermogen volgens de rechtbank verschillende risico’s met zich mee waardoor geen sprake is van gelijke gevallen. Ook indien wel sprake zou zijn van gelijke gevallen, dan bestaat er volgens de rechtbank een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling, namelijk het stimuleren van ondernemerschap. De wetgever heeft met het maken van een onderscheid tussen beide typen vermogens een gerechtvaardigd doel voor ogen gehad en heeft zijn ruime beoordelingsruimte niet overschreden. In vergelijkbare zin had Rechtbank Arnhem eerder geoordeeld op 25 maart 2010 en in navolging daarvan Hof Arnhem op 22 maart 2011, welke uitspraak door de Hoge Raad in stand is gelaten op 9 december 2011.

De rechtbank zag -anders dan Rechtbank Breda – in de stapsgewijze verhogingen van het vrijstellingspercentage van de erfbelasting voor ondernemingsvermogen geen reden om tot de conclusie te komen dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit over zijn doel heen was geschoten en daardoor ook op privévermogen van toepassing moest zijn. Deze verhogingen hadden plaatsgevonden na ruggespraak met de praktijk. Naar het oordeel van de rechtbank had de wetgever zich voldoende rekenschap gegeven van de aanwezigheid van te bestrijden liquiditeitsproblemen en heeft daarop met de aanpassingen in de bedrijfsopvolgingsfaciliteit passend gereageerd.

Bron: Rechtbank Oost Nederland, 29-1-2013, nrs. 12/5949, 12/5950 en 12/5955.